ZIJN TAKEN EN DIENSTEN

Na zijn afstuderen in het jaar 1919 trad H’adhrat Süleyman Efendi in dienst als professor. In 1922 werd hij als eerste hoogleraar Turks aangesteld voor de eerste klas van de Ibtida-i Haric afdeling aan de Daru’l-Hilafeti’l-Aliyye Madrasa. Later in het jaar 1923 werd hij eerst hoogleraar Arabisch (Sarfoe-l ‘Arabie) en vervolgens weer hoogleraar Turks.

Ondertussen werd op 1 november 1922 het Ottomaanse Sultanaat opgeheven. Vervolgens werd op 3 maart 1924 alle madrasas met de Wet op Vereniging van het Onderwijs verbonden aan het Ministerie van Onderwijs en werden ze later opgeheven.

Maar toen hij dienst deed op de Ibtida-i Haric Madrasa en deze werd gewijzigd naar een Imaam-Khatieb School nam H’adhrat Süleyman Efendi met eigen wil en behoud van zijn professorschap, ontslag van het docentschap omdat hij vond dat er vanwege de omstandigheden en het politiek dat destijds bedreven werd het niet mogelijk was om religieus onderwijs in voldoende mate te kunnen geven.

Met de Wet op Vereniging van het Onderwijs kwamen de hoogleraren op straat terecht. H’adhrat Süleyman Efendi waarschuwde de 520 hoogleraren van Djam’iyyatoe-l Moedarrisien, waar hij zelf ook lid van was, in Istanbul dat “door de ontwikkelingen religieuze wetenschappen verloren zouden gaan” en hij zei:

“O professoren, jullie zijn voor vandaag de garantie voor het geloof in dit land. Als jullie twee, drie personen hun geloof leren zal met minstens 50 jaar, twee generaties lang, de duur van de islam verlengd worden. Als jullie dit niet doen zullen jullie in presentie van Allah jullie zelf niet kunnen redden van jullie verantwoordelijkheid!”

Maar de professoren zeiden: “Er is geen brood meer te verdienen bij het leraarschap, laten we de andere beroepen die ons worden gegeven beoefenen.” H’adhrat Süleyman Efendi zei hierop:

“Heren, leraarschap is geen beroep, het is niet iets om je brood mee te verdienen. Leraarschap is ambtenaarschap van Allah, Rasoeloellah, boek van Allah en het islamitisch geloof.”

H’adhrat Süleyman Efendi slaagde er uiteindelijk in om sommige professoren over te halen en stuurde de volgende telegraaf naar de overheid:

“Wij, de professoren die hieronder zijn genoemd en hebben getekend, achtend dat onze overheid net uit een grote rampspoed als de Grote Oorlog is getreden en in een financiële recessie verkeerd, verklaren dat we bereid zijn om de religieuze en islamitische wetenschappen vrijwillig kunnen onderwijzen.”

Maar hun verzoek werd beantwoord met:

“In het land is de Wet van Vereniging van het Onderwijs van kracht; tegenstrijdig handelen zal leiden naar strenge straffen!”

In het jaar 1926 gaat hij voor de laatste keer op bezoek naar zijn dorp Ferhatlar (tegenwoordig Delçevo) en keert na veertig dagen weer naar Turkije. En twee jaar later krijgt hij te horen dat zijn vader Osman Efendi is overleden (in 1928).

H’adhrat Süleyman Efendi beschrijft die moeilijke dagen waarin hij onder ongunstige omstandigheden zich heeft ingespannen voor het islamitisch geloof als volgt:

“Er waren tijden dat ik de loon van een volksvertegenwoordiger gaf om leerlingen te onderwijzen, maar ik kon er geen vinden. Ze namen het geld en vluchtten, want ze waren bang. Ik vreesde dat deze wetenschappen zouden verdwijnen van de aardbodem. Maar later schiep Allah Ta’aalaa de redenen en kreeg ik de mogelijkheid om te onderwijzen. We begonnen met de ouderen, vervolgens kwamen de jongeren. En nu loopt het. Dit allemaal is een geschenk van Allah Ta’aalaa aan ons.”

H’adhrat Süleyman Efendi, die toen constant werd gestalkt door de politie, verliet in 1930 Istanbul en huurde een boerderij in het dorp Kabakca in Catalca (Istanbul). En hij kocht samen met een compagnon het hoofd distributeurschap van Trakya van een bedrijf dat lampolie verkocht. Aan een aantal werknemers die werkten op het boerderij gaf hij les. Maar toen de gendarme dit ontdekte beklom hij de Kuskaya (heuvel) in dat gebied. Later huurde hij in Silivri een gebied in om eiken kolen te produceren en ging hij op rustige plaatsten in het bos door met het geven van onderwijs.

Toen ook deze activiteiten werden ontdekt ging hij in 1933 naar het zuiden om op sommige weiden van het Taurusgebergte een aantal leerlingen te onderwijzen naast zijn melkveehouderij. Hij gaf ook les in de intercity treinen tijdens de ritten. Wanneer hij geen leerlingen kon vinden gaf hij zijn twee dochters les en gaf ze hun oorkonde.

H’adhrat Süleyman Efendi ging in Istanbul door met zijn preken en irsjaad (beleiding) in kleine moskeeën zoals Dogancilar, Aziz Mahmud Hudayi, Yagkapani, Softa Hatip, Ucmihrapli, Kasimpasa, Cami-i Kebir, Piyalepasa, Aga Camii, Arap Camii, Arpacilar Camii, Asmali Mescid en Kisikli Camii, en in grotere moskeeën van de sultans zoals Sehzadebasi, Laleli, Fatih, Suleymaniye, Sultanahmed, Bayezid en Yenicami.

H’adhrat Süleyman Efendi ging naast deze diensten van hem door met zijn eigenlijke taak, namelijk het onderwijzen van leerlingen, in moskeekamers, huizen en kelders van appartementen. Zijn leerlingen bestonden uit ouderen, jongeren en mensen van verschillende beroepen.

Hetzij door invloed van zijn preken, hetzij met zijn verbondenheid aan de Ahl as-Soenna wa al-Djamaa’a ‘aqieda (geloofsovertuiging) trok H’adhrat Süleyman Efendi de aandacht van een groot publiek en breidde zijn activiteiten uit door sommige mogelijkheden en kansen die ontstonden na 1950 en met de steun van sommige rijken die hem liefhadden.

In dit kader opende hij in het jaar 1951 de eerste Koran kostschool in de eerste verdieping van een oude villa van een zakenman in Uskudar Camlica (Istanbul) met ongeveer 25 leerlingen. In de volgende jaren vormde hij voornamelijk in sommige bijgebouwen van zijn eigen huis en in huizen die hij huurde en in een gebouw nabij de plek van ascese van Aziz Mahmud Hudayi, kringen om les te geven. In dezelfde jaren gaf hij aan de Europese kant van Istanbul les aan leerlingen, met name aan imaams en moeadzzins (oproepers tot het gebed), in de Tastekneler (Molla Husrev) moskeeën bij Sehzadebasi en Vefa.

H’adhrat Süleyman Efendi liet de lessen die vroeger jarenlang werden gegeven op de madrasas, in korte tijd voltooien vanwege de omstandigheden in die tijden. Op de kritiek die hij kreeg omdat hij in zulke korte tijd leerlingen onderwees zei hij:

“Heren, kan de oemma (islamitische gemeenschap) het leren van deze wetenschappen in vijf á tien jaar verdragen terwijl de oemma van Mohammed als een rivier naar de hel stroomt? Wij geven onze kinderen de sleutels van de wetenschappen, zij zullen met deze sleutel de deuren van de boeken en bibliotheken openen.”

H’adhrat Süleyman Efendi begon het onderwijs als eerst met het leren van de Edele Koran en de ilmihal (geloofsleer). Daarna leerde hij van ‘ilm as-Sarf (Arabische grammatica voor beginners) de boeken Amthila, Binaa, Maqsoêd; van ‘ilm an-Nah’w (Arabische grammatica voor bevorderden) de boeken ‘Awaamil, Izhaar, Kaafiya, Molla Djaami; van theologie de boeken ‘Aqaaid an-Nasafiyya en Qasieda al-Amaalie; van fiqh (jurisprudentie) de boeken Noêroe-l Iedhaah’, Qoedoêrie; van oesoêl al-Fiqh (methodologie van jurisprudentie) het boek Moekhtasaroe-l Manaar; van mantiq (logica) het boek Isaaghoedjie; van ‘ilm al-Bayaan en Badie’ (Arabische literatuur) de boeken Risaalatoe-l ‘Alaaqa, Talkhiesoe-l Miftaah’ en Moekhtasaroe-l Ma’aanie. Aan de leerlingen die de hogere lessen van de takaamoel kregen leerde hij van ‘ilm al-Kalaam (theologie) het boek Sjarh’oe-l ‘Aqaaid van Sa’doeddien Taftadhaanie; van fiqh het boek Doeraroe-l Hoekkaam van Molla Husrev; van oesoêl al-Fiqh het boek Mir’aatoe-l Oesoêl van weer Molla Husrev en het boek Madjaami’oe-l H’aqaaiq van Haadimie; van mantiq (logica) het boek Sjamsiyya van ‘Alie al-Qazwienie, en van tijd tot tijd, wanneer mogelijk, gaf hij ook lessen uit een boek over faraaidh (islamitisch erfrecht), tafsier (exegese), oesoêl al-Tafsier (methodologie van exegese), Hadieth en oesoêl al-Hadieth (methodologie van overlevering) en gaf hij vervolgens idjaaza (oorkonde).

Door zijn leerlingen die hij had onderwezen naar verschillende plekken te sturen om daar als imaam te functioneren had H’adhrat Süleyman Efendi zijn aantal onderwijskringen vermeerdert, en hij stuurde ze met name in de maand Ramadan naar verschillende dorpen en steden in Anatolië en Thracië (Trakya) voor preken en irsjaad (beleiding).

Aan de andere kant stuurde hij zijn afgestuurde leerlingen naar officiële examens en heeft hij ervoor gezorgd dat velen in dienst kwamen als moeftie (iemand die fatwaa (oordeel) uitspreekt), predikant, imaam en leraar op een Koran kostschool. Hij hield zich niet alleen bezig met de materiële en spirituele opvoeding van zijn leerlingen, maar ook met hun eten-drinken, onderdak en gezondheid.

H’adhrat Süleyman Efendi werd tijdens zijn activiteiten om te preken en onderwijzen van leerlingen meerdere keren gestalkt en opgeroepen om naar het politiebureau te komen en verklaringen af te leggen. Soms werd hij zelfs in hechtenis gemarteld op het Eerste Politiebureau in Istanbul doordat hij werd geplaatst in cellen die “tabutluk” werden genoemd vanwege de erbarmelijke toestanden. (Tabutluk is een cel waar slechts één persoon in kan staan zonder ruimte voor beweging.)

In het jaar 1956 moest hij op het bureau een verklaring afleggen omdat hij in zijn preek zei: “We kunnen onze Algerijnse broeders niet helpen, laten we ze minstens bijstaan met onze doe’aa (smeekbeden) voor hun.”

In 1957 deed een persoon uit Kutahya Tavsanli die beweerde dat hij mahdie (de verwachte persoon die aan het einde der tijden zal verschijnen en de oemma van Mohammed zal verlossen en begeleiden) was samen met zijn genoten een demonstratie. H’adhrat Süleyman Efendi werd in verband gebracht met deze gebeurtenis en werd na zijn verhoor op het politiebureau in Kutahya op negenenzestig jarige leeftijd aangehouden en na negenvijftig dagen voor de rechter gezet. Maar net als alle andere werd er ook bij deze gebeurtenis begrepen dat het opgezet spel was en de getuigen vals waren. Op 29 augustus 1957 werd hij op borgtocht vrijgelaten en werd hij op 8 november 1957 vrijgesproken.

H’adhrat Süleyman Efendi werd bij het onderwijzen van leerlingen en begeleiden van de mensen, waar hij zijn leven voor toewijdde, blootgesteld aan zeer zware laster en werd door officiële instanties constant gestalkt.